De afloop van Nikki

Het meisje stampte op hen af. ‘Wat heeft dit allemaal te betekenen?!’
‘René, luister nou even…’ probeerde Zeger haar te sussen, maar hij had net zo goed tegen het vertrapte festivalgras kunnen praten.
‘Jij…’ Ze keek Jasmijn met een vernietigende blik aan. ‘Jij zoent mijn vriendje!’ Jasmijn deinsde achteruit. Vragend keek ze Zeger aan. En toen snapte ze het. 
‘Rot op’, zei ze zacht.
‘Jasmijn, luister, ik-‘
‘Rot op!’ 
Zeger leek niet van plan haar verzoek in te willigen, dus liep ze zelf maar weg. Richting haar vriendinnen en ‘vriendje’, die haar met open mond aanstaarden. Pieter leek zich als eerste weer te herstellen. Jasmijn zette zich alvast schrap voor de tirade die ze over zich geen zou gaan krijgen. Maar in plaats van een heel relaas over waarom ze precies naar de hel kon lopen, omhelsde hij haar. Jasmijn was te verbaasd om er ook maar iets tegen te doen. Niet dat ze dat wilde, want zijn troostende knuffel zorgde ervoor dat ze even vergat dat ze zojuist ontzettend bedrogen was. 
Toen liet hij haar los en realiseerde ze zich dat Zeger niet de enige was die een gigantische fout had begaan. Vechtend tegen de tranen probeerde ze hem aan te kijken. Maar in plaats van een verdrietige, teleurgestelde jongen, zag ze hoe zijn gezicht steeds dichterbij kwam. En hoe hij haar… probeerde te zoenen?! 
Walgend duwde ze hem weg. De handen die gretig langs haar jurkje omlaag waren gegleden, verdwenen.
‘Pieter… What the…’  Toen zag ze hoe hij haar aankeek: niet boos of verdrietig, maar geïrriteerd.
Oké dan… Snel stapte ze achteruit, voordat ze iets écht gemeens zou zeggen. 
En toen waren daar opeens weer haar vriendinnen, die Pieters rare gedrag niet op leken te merken. Meteen vroegen ze haar het hemd van het lijf; Was dat Zeger? Wie was dat meisje? Waarom was ze zo boos? 
Jasmijn beantwoordde geen van de vragen. Opeens duizelde het haar. ‘Jasmijn, gaat het wel?’
Ze kon nog net een krampachtig knikje geven. Ze voelde zicht plotseling kotsmisselijk. Ze klemde haar hand voor haar mond, maakte rechtsomkeert en baande zich een weg door de festivalgangers naar de Wc’s. 
‘… drankje halen…’ ving ze op, terwijl ze zich langs René en Zeger worstelde. Ze zag hoe de blondine in haar tas begon te graaien, op zoek naar haar portemonnee. 
Hadden ze dat vreemdgaan zo snel al bijgelegd? vroeg ze zich af. Ach, wat maakte haar het ook uit. Ze wilde niets meer met die twee te maken hebben. Ze strompelde verder door de mensenmassa.
‘Mijn portemonnee is gestolen!’ Renés veel te harde stem schalde over het festivalterrein.
 ‘Hé, jij daar, blijf staan!’ 
Op dat moment voelde Jasmijn een hand op haar schouder en werd ze met een ruk omgedraaid. Ze keek Zeger recht in het gezicht aan. Nu waren de rollen echter omgedraaid: hij keek háar beschuldigend aan, in plaats van andersom.
René stond naast hem en greep naar Jasmijns achterwerk. In een reflex sprong ze op, wat had dat mens toch? Toen zag ze wat de blondine triomfantelijk in haar hand hield: een knalroze portemonnee met de naam ‘René’ erop. Hoe was die in haar zak terecht gekomen?
‘Wat dacht je? Eerst haar vriendje en dan haar portemonnee, hè?’ snauwde René. 
‘Ik-ik heb geen idee hoe dat ding in mijn zak is gekomen. Echt niet!’ stamelde Jasmijn.
‘Lieg niet! Je hebt hem gewoon net uit mijn tas gepikt, smerige dief!’
‘Nee, nee echt niet! Ik zweer het! Ik-‘ En toen begon haar iets te dagen: iemand had die portemonnee in haar zak gedaan. ‘Jij!’ Ze keek Zeger fel aan. ‘Jij hebt dat ding gestolen en in mijn zak gestopt.’
‘Waar heb je het o-?’
‘Net, toen we zoenden!’ riep ze. Vanuit haar ooghoeken zag ze René in elkaar krimpen bij die woorden. Het kon haar niets schelen.
‘Doe niet zo dom’, zei Zeger, ‘natuurlijk heb ik dat niet gedaan.’
‘Zegt de jongen die net nog harstikke vreemdging’, verdedigde Jasmijn zichzelf, ze had zich nu min of meer tot René gekeerd. ‘Je moet me geloven! Ik heb het niet gedaan!’ Maar het was een verloren strijd: het was haar - nogal onwaarschijnlijke - woord tegen dat van Zeger. 
Ze liet haar schouders hangen en wachtte totdat iemand de politie zou bellen, ze hoorde René al in haar tas rommelen. 
‘WACHT!’
Jasmijn keek op. Dat was Bo’s stem. Tussen Zeger en René door zag ze hoe haar vriendin naar voren stapte en haar stem verhief. ‘Jasmijn heeft de portemonnee niet gestolen!’
Maar wie dan wel?
‘Hij was het!’ Bo wees met een priemende vinger naar Pieter.
Pieter? Nee, onmogelijk, hij zou nooit-
Toen rende hij ervandoor. “Bijna even goed als een bekentenis”, zeiden ze in politieseries altijd over vluchtende verdachten. 
Net voordat Pieter in de muur van festivalgangers zou verdwijnen, gaf Senna hem een knietje. Hij zeeg ineen op het gras. Een portemonnee viel uit zijn broekzak en werd door Lola van de grond gepakt. 
‘Sinds wanneer heet jij Lilly?’ vroeg ze, terwijl ze de binnenkant van de portemonnee bekeek. 
‘Nee, het is niet wat je denkt… Ik-‘
‘Weet je dat zeker?’ vroeg Jasmijn. ‘Want volgens mij is het precies wat ik denk: jij propte dat ding net in mijn zak, toen…’ Ze maakte haar zin niet af, omdat ze zich realiseerde dat dat alweer was toen ze iemand (bijna) aan het zoenen was. ‘Je had die portemonnee net van René gestolen. En toen je haar aan zag komen, besloot je het ding snel te verstoppen. En waar kon dat beter dan in de wagenwijd openstaande zakken van een meisje dat jou vertrouwt?’ Jasmijn deed geen poging haar minachting te verbergen. 
Pieter zuchtte: hij gaf het op. ‘Oké, oké, die portemonnee heb ik gestolen.’ Hij doelde op Renés exemplaar. ‘Maar die andere heb ik gevonden, eerlijk waar!’
Bo fronste. ‘Niet dus. Ik wist dat jij die portemonnees had gestolen doordat je er tijdens het concert twee in je zakken had. En net zat er opeens nog maar éen in jouw zak én éen in die van Jasmijn. Maar als je Lilly’s portemonnee toen al gevonden had, waarom had je hem dan niet ergens ingeleverd? Je zei dat het een reserve was, niet een gevonden voorwerp!’ Ze keek hem triomfantelijk aan, met haar armen over elkaar. 
Zeger wendde zich opgelaten tot Jasmijn. ‘Goh… Dan had ik het toch mis. Eh, het spijt me.’

Hij merkte haar pas op toen ze vlak voor hem stond. Zijn grijze ogen keken haar vragend aan. ‘Wat is er?’
 Jasmijn slaakte een zucht. Net, toen ze nog beiden apart op een koud, oncomfortabel stoeltje van het politiebureau hadden gezeten, had het nog een goed idee geleken om hem te vragen naar wat er was gebeurd die vakantie. 
 ‘Ik wil nog een ding van je weten voordat we elkaar straks nooit meer zien, oké?’ Ze wachtte niet op zijn goedkeuring. ‘Waarom was je er niet die vakantie?’
‘Ik had mijn been gebroken.’
‘Je liegt.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Waarom zou ik? Als dit de laatste keer is dat we elkaar zien, kan ik net zo goed open kaart spelen, toch?’
 Een rilling liep over haar rug toen ze hoorde hoe terloops hij het zei: elkaar nooit meer zien. Ze was nog steeds verliefd op hem, dat wist ze wel. Maar ze wilde niet zijn schoothondje zijn. Ze wilde niet altijd maar op komen draven wanneer hij daar zin in had. 
‘Waarom zei je dat dan niet?’ vroeg ze, hopend op iets waarvan ze hem de schuld zou kunnen geven.
‘Ben jij ooit in een Frans ziekenhuis geweest? Die laten je niet gaan tot ze alles – echt álles – gecheckt hebben. Je hoeft maar met een splinter aan te komen en je krijgt gelijk een hele apk. Ik lag de rest van de vakantie aan het bed gekluisterd.’
Shit, hij spreekt de waarheid. Hoe oneerlijk. Ze kon hem daar de schuld niet van geven! Ze wilde boos op hem kunnen zijn, ze wilde een goede reden om hem finaal in elkaar te trappen. Maar het enige wat hij had gedaan was vreemdgaan, en dat was niet genoeg.
En zelfs op het moment dat hij opstond, grinnikend ‘tot nooit meer ziens’ zei en verdween, zelfs toen nog kon ze niet echt boos op hem zijn. Ze was nog steeds verliefd op hem. Maar ze wist dat dat niet wederzijds was. Hij was een player, niet te vertrouwen, een onenightstand op z’n best. En niet meer dan dat.
 
‘Hallo, aarde aan Jasmijn. Ontvangt u mij?’
‘Hm, wat? Sliep ik?’ 
Bo knikte met een grote grijns. ‘Echt wel, slaapkop.’
‘Het spijt me.’
‘Wat?’
‘Dat ik zo kinderachtig was om wat met Pieter te krijgen, terwijl jij hem leuk vond.’
‘Die dief?’ vroeg Bo. ‘Nee, die mag jij houden, hoor!’ En ze lachte haar en-nu-is-het-allemaal-weer-goed-lach. ‘Kom je mee, terug naar het festival?’ vroeg ze.
‘Nu nog?’
‘Echt wel! Het gaat nog de hele nacht door. Zonde om dat te missen. En als we snel zijn, kunnen we Bastille nog zien.’
Jasmijn glimlachte. ‘Laten we gaan dan.’

Inloggen

of log in via: