De bijzondere verhalenvorm van Yvette

‘Huh?’ Lies keek verbaasd achter haar. ‘Jazz! Jij bent het.’ Er verscheen meteen een grote glimlach op haar gezicht. ‘Ja, ik ben het. Luister even naar me, want ik heb een goed idee.’ Verwachtingsvol keek Lies naar Jazz. ‘Oké, vertel het maar.’ Jazz begon te vertellen. ‘Hier in de buurt is een plekje en het leek me een goed idee om daar met z’n tweeën heen te gaan.’ -‘Dus je bedoelt alleen wij twee?’, vroeg Lies met een bonzend hart. Daar had ze wel zin in... ‘Ja, alleen wij’, zei Jazz met twinkelende ogen. Tenminste, dat leek zo, want toen Lies goed keek, zag ze dat hij er een beetje gespannen uit zag. ‘Laten we gaan’ zei Jazz toen. Het leek alsof hij opeens heel erg haast had.

Onderweg belde Lies haar vader om hem een gelukkig nieuwjaar te wensen, maar hij nam niet op. Ze probeerde het nog een keer, maar helaas, ze kreeg hem niet te pakken. ‘Zijn we er al bijna?’, vroeg Lies toen aan Jazz. ‘Ja, hier links en dan zijn we er’, antwoordde Jazz. Opeens kwamen er een paar mensen met een muts over hun hoofd tevoorschijn. Lies zag dat er bij één van hen lang haar onderuit kwam. Dat was dus een meisje. Maar voordat Lies verder iets kon zeggen, werd plotseling een zak over haar hoofd gedaan. Hij rook muf en daardoor raakte ze al snel bewusteloos.

‘Wa..wa..waar…waar ben ik?’, vroeg Lies toen ze na een tijdje wakker werd op een harde koude vloer. Lot zat naast haar. ‘Lies? Lies??’, zei ze. ‘Lies, ben je wakker?’ -‘Ja ik denk het wel…. Wat is er in hemelsnaam gebeurt?’, vroeg Lies met een rare blik in haar ogen. ‘Jazz nam je hier naartoe en zijn vrienden of vriendinnen deden een zak over je hoofd en dumpten je hier. Dat hebben ze ook bij mij gedaan’, zei Lot -‘Maar waarom?’, vroeg Lies. -‘Dat weet ik ook niet precies. Ik weet alleen dat ze ons altijd heel erg hebben gehaat en nu nog steeds. Dat wou ik je ook vertellen in dat smsje dat ik laatst naar je stuurde, maar toen ik hem net had verzonden, pakten ze mijn mobiel af’, vertelde Lot. ‘Oké, en wat doen we nu? En waar zijn we? Komen we hier ooit nog levend uit?’, vroeg Lies een beetje in paniek. Opeens barstte Lot in tranen uit. ‘Dat weet ik allemaal niet. Misschien komen we hier nooit meer uit!’ Lies keek naar haar vriend. ‘Laten we nog maar even proberen om rustig te blijven. Morgen gaat er heus wel iemand op zoek naar ons’, zei ze zachtjes. Maar eigenlijk kon ze het zelf ook niet geloven en sloeg gauw een arm om haar bff heen.

De volgende morgen werd er zachtjes op een raam in het gebouw getikt waar Lies en Lot in zaten. Lies was al wakker, eigenlijk had ze niet eens geslapen. Snel keek ze naar Lot, maar die sliep nog. Toen keek ze naar het raam en opeens begon te gillen van geluk. ‘MENNO!’ Hij stond voor het raam! Snel maakte ze Lot wakker. ‘Lot, kijk! Menno komt ons bevrijden!’ Lot keek met een duf hoofd haar kant op, maar toen ze Menno ziet, rende ze direct naar het raam toe. Menno gebaarde dat Lies en Lotte aan de kant moesten gaan, want dan kon hij een ruitje in gooien. Toen hij dat had gedaan, probeerde Lies en Lot er doorheen te gaan. Hun kleding scheurde door het glas, maar dat maakte niks meer uit. Ze waren vrij! Tegelijkertijd vlogen de meiden Menno om zijn hals. ‘Dank je Menno, je hebt ons gered!’, zei Lies tegen hem. ‘Natuurlijk, wat dacht je anders dat ik zou doen als ik hoor dat je niet thuis bent gekomen?’, zei hij. ‘Kom, we gaan snel naar huis, want jullie ouders zijn heel erg ongerust. En Lies… je moeder moet je iets vertellen. Ze is er helemaal kapot van, dus ik zou maar snel gaan.’ -‘Wat is er dan?’, vroeg Lies geschrokken. ‘Dat vertel ik je liever niet’, zei Menno. ‘Dat moet je moeder maar doen.’

Een kwartier later fietste Lies bezorgd haar straat in. Ze rende naar de voordeur en hoorde dat haar moeder huilend aan de keukentafel zat. ‘Mam..?’, zei Lies. ‘Wat is er?’ -‘Schat, je hoeft me niks meer uit te leggen hoor… Menno heeft me al gebeld.’ -‘Maar wat is er dan?’, vroeg Lies opnieuw. Toen begon haar moeder te vertellen. ‘Ik heb de verkeerde keuze gemaakt. Mijn nieuwe vriend is alweer mijn ex.’ Opeens barstte ze weer in tranen uit. ‘Maar mam? Ik snap je niet, leg eens verder uit’, zei Lies. Haar moeder ging verder. ‘Die Jazz die in jouw klas zit, die jou ontvoerd had… Ik had dus een relatie met zijn vader. Maar ze bleken niet echt een goede familie te zijn, want het zijn de grootste criminelen en moordenaars van de stad.’ -‘Wááátt??’, schreeuwde Lies. Ze keek haar moeder met grote ogen aan. Haar moeder vervolgde haar verhaal. ‘Gisteravond, klokslag twaalf uur, heeft hij, Jazz’s vader, je vader vermoord!’ Lies' moeder begon zo hard te huilen dat ze niks meer kon zeggen. Lies moest het even laten bezinken. Haar vader dood? De tranen liepen over haar wangen. ‘En nu?’, vroeg ze in een trance. Haar moeder slikte en zei: ‘Nu is je vader dood en Jazz's vader en de rest van zijn familie is opgepakt.’ ‘Ze moeten levenslang krijgen! Of de doodstraf!’, schreeuwde Lies. ‘Rustig meid, het is mijn schuld’, zei haar moeder. ‘Ik had geen relatie met hem moeten beginnen.’ -‘Maar mam, dat kon jij niet weten.’ Haar moeder begon ook te schreeuwen. ‘Wel waar! Ik wist dat hij dat ging doen, maar ik dacht dat hij het als grapje bedoelde. Ik zei toch gister dat je misschien je vader helemaal niet meer hoefde te bellen?’ Lies keek haar moeder met grote ogen aan. ‘Mam… hoe kon je zoiets doen?’ Haar moeder snikte. ‘Ik weet het niet. Ik weet het echt niet… Ik was zo in de wolken door die man.’

Later die dag stond Lies bij Menno voor de deur. ‘Hou je nog van me?’, vroeg ze hem met tranen in haar ogen. ‘Er is geen moment geweest dat ik niet van je hield’, zei hij toen.

Een jaar later zat Lies weer op haar kamer. Het ging alweer een beetje beter, maar het gat in haar leven zou nooit meer helemaal gevuld kunnen worden. Gelukkig was de band tussen haar en haar moeder en wel veel beter geworden. Lies dacht aan de dag dat haar hele leven veranderd was.
Ze schreef alles op:

Er gaat nu veel door me heen. Een jaar geleden, op deze dag, ben ik ontvoerd en is mijn vader vermoord. Ik mis hem nog steeds. Dus hierbij speciaal iets voor hem...

Lieve papa,
Je bent altijd heel bijzonder voor me geweest. Ik heb er nooit aan gedacht dat ik je al zo snel kon kwijtraken. Ik mis je heel erg en er is geen dag dat ik niet aan je denk. Door die vreselijke mensen is heel mijn leven verpest. Papa, ik houd zo veel van je en ik wou dat ik je nog één keer kon spreken, één keer een knuffel kon geven. Maar ik weet dat dat niet meer kan. Ik had dat eerder moeten bedenken. Waarom er zulke vreselijke mensen bestaan weet ik ook niet, ze hebben me veel verdriet en pijn gedaan. Maar zelf merken ze daar niets van. Niet ieder mens is perfect, maar daar kan ik ook niets aan doen. Papa, dit zijn mijn laatste woorden voor jou:

Ik mis je tot op de dag van vandaag.
Hou van je, dat heb ik altijd gedaan.
Van jou leerde ik veel.
Je bent voor altijd bij mij in mijn hart.
Voor iedereen was je goed.
Je was er altijd voor me en ik zal ik van je blijven houden.
Je bent en blijft alles voor me, tot op de dag dat ik sterf.
Ik vergeet je nooit meer, zo goed was je voor mij.
Zal ik je ooit nog terugzien?
Je komt nooit meer uit mijn hart.
Nooit wil ik meer zoveel pijn lijden als op de dag dat je stierf.
Meer wil ik je niet vragen dan: papa, kom alsjeblieft terug.
Vergeten: dat wil en kan ik je nooit meer.
Dus papa, als je dit leest: alles wat er staat, meen ik.
Papa, ik mis je…

Inloggen

of log in via: